De grondleggers van de religieuze tradities en mystieke stromingen waren voor hun tijdgenoten in de regel twijfelachtige figuren.
Ze verschenen plotseling op het toneel en begonnen eigenmachtig te zingen. Daarna brachten zij de het koor uit de maat en maakten de aangestelde solisten razend. Alleen in de perspectief van de tijd ontdekte men een organische verbinding van hun optreden met het toen klinkende gezang. Hoe moet je religieuze fenomenen beoordelen zonder dit perspectief?
|
|
|
|
|