|
Uit het oude verhaal over de Romein en de Christen heb ik vier kenmerken gedistilleerd waarmee de religieuze flexibiliteit getypeerd kan worden.
Het zijn: - een flexibele houding ten opzichte van een ander geloof; - een flexibele begrenzing van religieuze flexibiliteit; - een flexibele omgang met religieuze beperkingen en - een flexibele beeldvorming over een ander geloof.
Terug naar de moderne versie van hetzelfde tafereel waarmee ik vorige keer begon, maar dan met één verandering: ik ga verder zonder concrete gegevens. Het lijkt me niet erg flexibel een bestaande organisatie als voorbeeld van een gevaarlijke club te nemen. ‘Gevaarlijk’ is een oordeel over wat er in het verleden is gebeurd, voor zover je dat weet. De organisatie kan aan het veranderen zijn, en dat wil ik de Scientology Kerk, Jehovagetuigen, of welke radicale islamitische groepering dan ook gunnen. Laten we het gewoon hebben over een sollicitant uit een ‘erkende religieuze organisatie met slechte reputatie’ (ik noem dit verder ‘EROSR’). Ook de Nederlandse Bank wil ik hierbij niet betrekken. Laten we het hebben over een grote Nederlandse bank. De chef van de afdeling statistieksystemen van een grote Nederlandse bank zoekt een nieuwe medewerker informatievoorziening. Het is moeilijk goede specialisten op het gebied van informatie-management te vinden en tot nu toe passen de sollicitanten niet in het gewenste profiel. Uiteindelijk meldt zich iemand die in alle opzichten ideaal is, behalve wat zijn geloof betreft: de man blijkt lid van een EROSR te zijn.
De Chef zelf gelooft nergens in en ziet religie niet als iets belangrijks. Maar er doen allerlei verhalen de ronde over de organisatie waarvan de sollicitant lid is. Men noemt het een gevaarlijke sekte. In de media hebben ex-leden verteld over malafide praktijken en de machtszucht van de leider en zijn volgelingen. Zij zouden de wereld volgens hun ideeën willen veranderen. Zowel werving van ‘Vips’ die het grote geld en invloed op anderen kunnen meebrengen, als infiltratie in overheidsinstellingen en financiële structuren behoren tot de werkwijzen van de sekte. Het is enkele keren in de publiciteit geweest en hoewel deze organisatie steeds naar de rechter ging en de processen tegen de laster won, overtuigde het de Chef net als veel anderen niet: met een goede advocaat kun je beschuldigingen als infiltratie best ontkrachten.
De houding van onze Chef ten opzichte van geloofsovertuigingen van anderen is nog flexibeler dan die van de Romein: iedereen mag van hem in alles geloven. Toch heeft hij net als de Romein een probleem met het geloof van iemand die bij hem wil werken, met het verschil dat dit niet op persoonlijke vlak ligt. De goede man ziet een reëel risico in het plaatsen van iemand uit een EROSR dicht bij de toegang van het financiële netwerk. In het geval van deze sollicitant kan hij niet zeggen dat religie bij de privé-sfeer hoort. Het gedrag van sekteleden is over het algemeen beïnvloed door hun leiders, aan wie ze absoluut gehoorzaam moeten zijn. Deze sympathieke EROSR-man zou in staat zijn vanuit zijn functie toegang tot uiterst vertrouwelijke informatie te vinden. Dit geeft toegang tot een grote macht, die de sekteleider misschien wel zoekt. De consequenties van mogelijk misbruik daarvan zijn niet te overzien.
De Chef zou liever geen EROSR-lid op zijn afdeling hebben. De Romein had in eerste instantie dezelfde reactie naar de Christen – zij het met andere redenen. Maar niet alleen de redenen zijn op dit punt verschillend, ook de mogelijkheid de omgang met een andersgelovige te begrenzen. Daarin was de Romein vrij, terwijl de Chef de mogelijkheid voor begrenzing, theoretisch gesproken, niet heeft.
Volgens de wet moet de Chef deze sollicitant aannemen: de man voldoet aan alle eisen die aan de kandidaten gesteld worden en is in professioneel opzicht beter dan alle anderen. In onze tijd mag het lidmaatschap van een EROSR in een democratisch land geen reden zijn voor afwijzing van een sollicitant of voor het aannemen van zo iemand onder bepaalde voorwaarden. De Grondwet kent iedereen vrijheid van religie en gelijke behandeling toe. De man is lid van een officieel geregistreerde religieuze organisatie. De Chef kan niet - zoals de Romein - tegen de sollicitant zeggen: “Ik neem je aan maar je praat nooit op de werkvloer over je geloof.” Iedereen in een democratisch land heeft het recht op vrijheid van meningsuiting. Theoretisch heeft onze Chef geen keuze, in de praktijk heeft hij die echter wel. Je kunt altijd een andere reden voor afwijzing noemen, en de ware reden voor jezelf houden. Dat gebeurt dan ook links en rechts. En er zijn meer manieren te bedenken (en dat gebeurt ook binnen kwetsbare instellingen) om jezelf en je zaak te beschermen als de regelingen dat niet doen. Maar we hebben het niet over de wet en de omzeilingen van de regels, we hebben het over de religieuze flexibiliteit.
De vraag is: wat is flexibel in de situatie waarin onze Chef zich bevindt? Ondanks het risico iemand uit de EROSR toch aannemen? Of is het juist flexibel niet te handelen naar de letter van de wet en de man met een smoes af te wijzen? Test je eigen religieuze flexibiliteit eens met de volgende drie vragen: 1. Wat zou jij het liefst willen dat de Chef doet? 2. Wat zou jij zelf in zijn geval doen? 3. Zijn de antwoorden op vraag 1 en op vraag 2 hetzelfde? |