|
Van alle sollicitanten voor de functie van een medewerker informatievoorziening bij een grote Nederlandse bank is een man uit een EROSR (zo noemen we in deze serie columns een 'erkende religieuze organisatie met een slechte reputatie') het meest geschikt.
In ons voorbeeld moet de Chef van de afdeling de beslissing nemen. Hij is een man met een flexibele houding ten opzichte van geloofsovertuigingen die hem niet zinnen. Maar hij is er huiverig voor een sektelid toegang te geven tot het internationale financiële netwerk van de bank. Het tafereel is vergelijkbaar met de situatie in het oude verhaal over een Romein bij wie zich een Christen aanmeldt als bediende. De Romein wil eigenlijk geen Christen in dienst. Maar omdat hij geen betere kandidaat heeft, neemt hij de man aan op voorwaarde dat deze niet over zijn geloof praat. Ik heb in dit gedrag een flexibele begrenzing in de omgang met andersgelovigen gezien en dit een van de kenmerken van religieuze flexibiliteit genoemd. In tegenstelling tot de Romein kan onze Chef een soortgelijke grens niet stellen. De Grondwet kent iedereen vrijheid van religie en gelijke behandeling toe. Vanaf dit punt gaan we nu verder. De Chef zou de sympathieke EROSR-solicitant met een smoes kunnen afwijzen om problemen in de toekomst te vermijden. Maar hij kiest voor een flexibele(re) variant: hij maakt gebruik van een andere maatregel die discriminatiepraktijken tegengaat, namelijk positieve discriminatie van vrouwen. Hij geeft een vrouwelijke medewerker van zijn afdeling de vacature waarop de EROSR-man solliciteert. Zij is weliswaar minder geschikt maar wel betrouwbaar, wat voor de Chef op dat moment minstens even belangrijk lijkt. Aangezien de baan van de vrouw geen toegang tot bankgeheimen met zich meebrengt, biedt hij deze aan de EROSR-sollicitant aan. De Chef wil deze man tijdens zijn proefperiode goed leren kennen, om vervolgens conclusies over zijn betrouwbaarheid te trekken en eventuele promotie te overwegen. Deze oplossing is mijns inziens vergelijkbaar met die van de Romein als een flexibele begrenzing van de omgang met andersgelovigen.
We zijn nu bij het volgende kenmerk van religieuze flexibiliteit gearriveerd: een flexibele omgang met religieuze beperkingen. Daar blijkt de EROSR-man in dit voorbeeld toe in staat. Hij vermoedt dat de Chef hem wantrouwt, maar hij neemt de lagere functie aan zonder protest. Wat zijn geloofsexpressie betreft is hij niet beperkt. In tegenstelling tot de Christen mag hij wel met zijn collega’s over zijn religieuze opvattingen praten, maar dat doet hij niet.
De man ervaart een ander soort beperking: het beperkte vertrouwen. Hij stelt zich echter soepel op. We gaan niet onderzoeken waar zijn houding vandaan komt, maar stellen gewoon vast dat deze flexibele omgang met beperkingen in zijn gedrag zit. Net zoals de Romein een bepaald beeld over het christendom had, heeft de Chef dit over de religieuze organisatie van zijn nieuwe medewerker. Al snel ziet hij dat het lidmaatschap van de EROSR-man geen problemen oplevert. Hij doet zijn werk uitstekend en is een prima teamlid. Ook de persoonlijke eigenschappen van de nieuwe medewerker maken op de Chef een goede indruk.
De man werkt hard en ondanks de hoge werkdruk is hij altijd vrolijk, vriendelijk en tevreden. De Chef vermoedt dat de EROSR-man door heeft waarom hij een lagere functie heeft gekregen. Hij vindt het soepel van hem dat hij dat rustig heeft geaccepteerd. Zo'n flexibele houding ten opzichte van beperkingen roept bij de Chef respect op, zeker in vergelijking met de veeleisendheid van anderen. Zijn vertrouwen in de nieuwe medewerker groeit. Ook zijn interesse voor deze persoon neemt toe: hij ziet bij hem geen egoïsme of hebzucht en ervaart hem als een diep gelukkig mens. De Chef wil meer over deze sympathieke EROSR-man weten en op een dag vraagt hij met belangstelling: "Vertel me eens over je geloof. Waar geloof jij in?" Zo ging het ook bij de Romein toen hij de Christen beter leerde kennen en zijn persoonlijke kwaliteiten begon te bewonderen. Voelt dezelfde vraag in de beide situaties dan hetzelfde?
|