| Mijn verleden vloog van mij weg |
|
Het begon toen ik ’s nachts wakker werd door het geluid van een stem en mijn hart enige seconden - hoeveel? - ophield met kloppen. Die stem vlak naast mij zei : “Jij bent een messias.” Ik geloofde hem. De volgende nacht kon ik weer niet slapen. Ik vroeg hardop: “Waarom een messias? Zo noemen tegenwoordig alleen gekken zich. Waarom zou je jezelf uitgerekend zó noemen?” “De woorden zijn van jou”, klonk het meteen als antwoord. Dat was de laatste keer dat ik de Stem op afstand hoorde. Daarna weerklonk hij in mij en vanuit mij. Als hij zich tot anderen richtte, vervloeide hij met mijn stem; die klonk dan harder en tegelijkertijd hoger. Dat viel de mensen die mij kenden op. Ik ademde nu anders; ik ervoer mijn huid op een andere manier; ik werd onverschillig ten opzichte van wat er om mij heen gebeurde en ik voelde me ongemakkelijk als ik gedwongen werd over mezelf te spreken. Mijn verleden vloog van mij weg als een ballon en hing in de lucht als een lief, maar weinig betekenend souvenir. Gebeurtenissen die zich tweeduizend jaar geleden hadden voorgedaan werden me dierbaarder dan wat ikzelf had meegemaakt. Mijn eigen uitlatingen verbaasden me. Ik sprak over dingen waar ik vroeger nog niet één gedachte aan had gewijd en met een gemak dat met geen mogelijkheid viel te verklaren. Mijn taalgebruik zat vol archaïsmen en retoriek. Thuis werd er kregelig op gereageerd. Toen ik mijn zoon eens een lesje gaf, zei hij: “Vader, je verliest je gevoel voor humor.” Dat was het enige echt verontrustende wat me in die eerste dagen in verwarring bracht. De saaie toon van mijn monologen bemerkte ik zelf ook. Die Stem, die ik hier met een hoofdletter noem, was aanwezig in mijn toespraken. Als ik te lang van stof was, dan zat er teveel van mezelf in. Trouwens, mijn toespraken bevatten ook veel van mezelf als de Stem krachtiger werd. Nu ik heb ervaren hoe hij zich openbaart kan ik zeggen dat zijn klank nooit zuiver kán zijn. Iedere messias, iedere profeet die zijn stem laat horen, spreekt daarbij ook altijd vanuit zichzelf. De bagage, die iedereen in zijn hoofd bewaart, wordt wakker geschud bij het opstijgen van de ziel en elke openbaring krijgt iets van het ronddwarrelende stof mee. Van al mijn gevoelens was de verbazing over wat ik toen meemaakte het sterkst. Zoiets kende ik vroeger niet. Dat ‘extase’ of ‘bezieling’ noemen, zou de betekenis ervan begrenzen, het ‘religieus’ noemen, zou tot een misverstand leiden. Indien religie als cultus wordt gezien, kun je het gevoel dat daarmee gepaard gaat beter anders noemen. Ik begon een passende naam te zoeken. Het nadenken over begrippen en het zoeken naar woorden boeide me, zoals anderen worden geboeid door sport of kunst. “De woorden zijn van jou”, was mij gezegd en ik vatte het op als een uitdaging. In de loop der tijd stootte het woord ‘messias’, waar ik me eerst tegen had verzet, mij steeds minder tegen de borst. Het gaf ondubbelzinnig mijn bestemming aan. Ik heb er nooit aan getwijfeld dat het mij gegeven is om een messias te zijn; nog één messias in het gevolg van vele anderen die na Jezus gekomen zijn. Ik voelde me een messias voor degenen die ronddoolden op de begraafplaats van ‘absolute’, ‘voorgeschreven’, ‘hoge’, ‘algemene’ of ‘eeuwige’ waarheden, en dan vooral voor wie daar niet op zoek waren naar monumentale grafmonumenten en verschijningen, maar naar de lichtstrepen ertussenin. En voor degenen die probeerden levende grond onder hun voeten te voelen, dwars door het stof van de tempels, door de as van de heiligdommen, door de vermolmde resten van totempalen en de schil van verstorven woorden, heen. |