Home Fragment Dromers
Dromers
Ik keek uit het raam van de keuken naar de straat en zag een leeg trottoir, zwak verlicht door lantaarns. Auto’s reden denderend langs, gassen uitstotend die omhoog stegen en mijn raampje binnenvlogen. Pas toen ik er aandacht aan schonk, merkte ik de stank op. Het volgende ogenblik vielen me de bomen op die tussen het trottoir en het rijweggedeelte stonden. Als voor mij, liefhebber van de natuur, in de stad iets de moeite waard is om naar te kijken dan zijn het wel bomen, maar zelfs als ik langs ze liep, zag ik ze niet eens. Hoe meer ik mijn manier van kijken onderzocht, hoe meer ik ontdekte dat mijn waarnemingen van de dingen voornamelijk uit luchtspiegelingen bestonden. Daardoor waren er zoveel botsingen met de realiteit. Voor de anderen was dat ook zo. Wat we met onze ogen waarnemen is vaak leeg en saai, zoals bijvoorbeeld de straat waarin ik woonde. De realiteit is ons in wezen vreemd: zij is niet op onze maat gesneden, ze kan ons niet bekoren en wat nog vreselijker is: zij is onverschillig. Als je met de realiteit botst, verlang je naar iets anders. Daarom zijn er ook zoveel dromers.
Met die gedachten keek ik naar de straat onder mijn raam en zorgde dat mijn aandacht geen kans kreeg te ontsnappen. Voorlopig beperkte ik mij daartoe: ik stond mezelf niet meer toe te dromen. Op dat moment besefte ik nog niet dat er in mij een enorme verandering had plaatsgevonden: ik wilde niet langer de werkelijkheid leuker maken dan ze was. Ik zag wat ik vroeger niet zag: ik zag dat de realiteit mij uitdaagde. Eerst begreep ik niet wat ze te zeggen had omdat zij zich van een taal bediende die ik nog niet kende. Die taal naar mijn eigen taal vertalen was moeilijker dan woorden te vinden voor hiërogliefen, maar de moeilijkheid van die opgave maakte het alleen maar aantrekkelijker.
 
Banner