Ik zat met gesloten ogen te luisteren naar wat er gebeurde. De stemmen van de mensen die bij het vuur zaten; het gegons van de muggen die op ons bloed afkwamen; het knisperen van brandende takken; het vogelgezang; het geruis en geritsel; het zuchten, onduidelijk door wie.
Deze, en nog een heleboel andere klanken waar geen namen voor bestaan, kwamen bijeen tot een eenmalige, tijdelijke symfonie. Het gehoor is vatbaarder voor de eenheid van het leven dan het oog dat langs de harde oppervlakte van de vormen glijdt. De hoeveelheid klanken die je hoort in een symfonie is niet belangrijk, belangrijker is de gewaarwording van de ruimte die zich via het gehoor aan je openbaart. Je ziel herinnert zich die gewaarwording omdat hij ooit daar verbleef waar het hoge en het lage gelijk zijn, waar hij wist dat niets bestendig is en dat het afgezonderd zijn niets anders is dan een opkomende golf.
|