|
Ik geloof niet dat men met zekerheid iets kan zeggen over de afkomst van stemmen in het eigen hoofd.
Maar ik denk dat je visuele beelden soms wel kan traceren. De conclusie kan natuurlijk nooit helemaal zeker zijn, maar toch... Er zijn enkele beelden waarbij ik altijd een bijzondere fascinatie voel. Ik krijg bijvoorbeeld kriebels als ik een gezelschap bij zonondergang rond een kampvuur zie. Tussen twee haakjes, zo'n gezelschap zit in Nog een messias op een rivierstrandje. Ook in mijn eerste boek komt dit beeld terug. Ik had tot voor kort geen idee waarom ik steeds dit plaatje zie als ik mijn verbeelding laat gaan. Tijdens het lezen van 'Het numineuze' van Tjeu van den Berk heb ik me gerealiseerd dat ik in mijn kindertijd enkele numineuze ervaringen heb gehad. Net als vrijwel iedereen nam ik deze ervaringen niet serieus. Maar ze blijken een nawerking te hebben in de keuzes die ik later maakte en in mijn literaire werk. Het zou kunnen zijn dat het gezelschap rond een kampvuur er verband mee heeft. De allereerste numineuze ervaring die ik me herinner noem ik de 'toverslag'. Ik was een jaar of zes en zat op een kleed op de grond. Mijn oma was naast me met handwerk bezig. We zaten voor ons huis bij een weg die tussen akkers naar de horizon liep. Het was avond. Op een bepaald moment kreeg ik van mijn oma het zakje met lapjes om te bekijken. Ik liet de lapjes uit het zakje vallen en werd verbijsterd door de felle kleuren die plotseling op het grijzige kleed verschenen. Toen ik mijn blik van de lapjes afwendde, was er voor mijn ogen een gloeiende gouden bal boven de weg. De zon bereikte de hoogte waarop je er zonder pijn in de ogen naar kunt kijken. De metamorfose van het kleed en de zon voelde als een toverslag waarmee alles in mijn gezichtsveld verrukkelijk werd. Het was een extatisch moment van levensvreugde. Het is alsof deze ervaring een ketenreactie heeft voortgebracht. Een soortgelijke beleving had ik opnieuw toen ik jaar of tien was. Dit keer zat ik met mijn familie aan een rivierstrandje; een picknick op een warme zomerdag. We waren net klaar met eten. De meeste spullen zaten al in tassen gepakt, maar een paar dingen lagen nog op het kleed in het zand. (Het is op zich al curieus dat ik me zo'n onbelangrijk detail nog steeds herinner.) Er was niemand meer behalve wij op het strandje toen de zon laag kwam te staan. Mijn vader vond enkele droge takjes bij de struiken achter het strandje en maakte een kampvuur. Ik geloof niet dat ik er erg gecharmeerd van was. Ik was moe en zat stil. De volwassenen waren in gesprek en schonken me geen aandacht. Hun stemmen klonken zacht en rustig. De nieuwe 'toverslag' vond plaats toen de zon, die als een gouden gloeiende bal naar de horizon gleed, opeens in mijn gezichtsveld verscheen. Ik had weer dat bekende extatische gevoel: alles wat ik op dat moment zag en hoorde maakte me diep gelukkig: het kleed, de spulletjes erop, het zand, het kampvuur, de stemmen. Het was zo sterk dat ik mijn ogen dicht deed en helemaal in mijn gekke vreugde dook. Zo zat ik een tijdje naar de geluiden te luisteren en het bleef verrukkelijk. Sinds kort zie ik het verband tussen deze herinnering en het volgende stukje uit 'Nog een messias', waarin de hoofdpersoon het volgende over zichzelf vertelt: "Ik zat met gesloten ogen te luisteren naar wat er gebeurde. De stemmen van de mensen die bij het vuur zaten; het gegons van de muggen die op ons bloed afkwamen; het knisperen van brandende takken; het vogelgezang; het geruis en geritsel; het zuchten, onduidelijk door wie. Deze, en nog een heleboel andere klanken waar geen namen voor bestaan, kwamen bijeen tot een eenmalige, tijdelijke symfonie. Het gehoor is vatbaarder voor de eenheid van het leven dan het oog dat langs de harde oppervlakte van de vormen glijdt. De hoeveelheid klanken die je hoort in een symfonie is niet belangrijk, belangrijker is de gewaarwording van de ruimte die zich via het gehoor aan je openbaart. Je ziel herinnert zich die gewaarwording omdat hij ooit daar verbleef waar het hoge en het lage gelijk zijn, waar hij wist dat niets bestendig is en dat het afgezonderd zijn niets anders is dan een opkomende golf." Ik kan me niet voorstellen dat ik als tienjarig meisje naar de betekenis van mijn vreugde zocht. En in de bovenstaande beschrijving had ik toen mijn gevoel naar alle waarschijnlijkheid niet herkend. Toch is dit fragment uit 'Nog een messias' geworteld in de herinnering over dat gevoel. Die herinnering heeft nog steeds de energie die me toen overspoelde. Het is wonderlijk wat er uit numineuze kinderervaringen kan groeien. En ook hoe ze in kunst en mystiek kunnen resoneren. Verder in mijn novelle staat iets dat in eerste instantie niets met het tienjarig meisje op het rivierstrandje te maken heeft. Maar ik weet zeker dat het ook gebaseerd is op het gevoel waarmee zij destijds met gesloten ogen naar de stemmen zat te luisteren. Dat gevoel kan ik met geen ander verwarren. "We zaten op de grond; voor onze ogen brandde het vuur, naast ons stroomde de rivier; onze gezichten werden verfrist door de wind. En ik hoorde in de gesprekken op het Vissersstrand de echo van andere gesprekken onder de hemel. Gesprekken die tweeduizend jaar geleden ooit, bij een meer, bij een berg, in een tuin, geklonken hadden. En net als toen bracht het vrije denken, nadat de woorden uitgekabbeld waren, de gelijkmoedige vreugde van religie. Het was een straatarme religie zonder voorschriften, regels en rituelen; een religie die noch ruggengraat, noch een omhulsel had en die, ongemerkt, werd in- en uitgeademd zoals de lucht." |