|
In oude tijden namen reizigers een buideltje eigen grond mee. Is er iets dergelijks denkbaar bij een spirituele zoektocht?
Met mijn evangelische rapsodieën maak ik een poging om deze vraag te beantwoorden. Ze dienden voor mij ook als een uitdrukking van het oorspronkelijke christelijke paradigma. Ik heb slechts 6 rapsodieën gemaakt, om het 'buideltje’ niet te zwaar te laten voelen. Ze zijn samengesteld uit spreuken gevonden bij Mattheus, Marcus, Lucas en Johannes. In mijn zoektocht naar oorspronkelijke christelijke inzichten ging ik bewust niet verder dan de vier canonieke evangeliën omdat deze bronnen door iedereen erkend zijn als de basis van de christelijke traditie. Enkele spreuken komen steeds terug, zoals een bepaalde muzikale intonatie of melodie door het hele oeuvre van een componist kan gaan. Dat is één van de bijzonderheden die deze reeks van rapsodieën van een gewone citatenset onderscheidt. Ik hoop dat de lezer andere bijzonderheden zelf zal opmerken. Hier zijn drie kleinere rapsodieën. (In de laatste aflevering van mijn verslag komt nog een fragment uit de grootste rapsodie 'Sterren').
De stemvork
De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, vanwaar hij komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is.
Zalig de reinen van hart; want zij zullen God zien.
Canon van voetstappen
God toch is geen God van doden, maar van levenden.
Het Godsrijk komt niet zichtbaar. Men zal niet zeggen: Hier is het! of: Daar! Want het Koninkrijk Gods is binnen in u.
Het gaat met het Koninkrijk der hemelen als met een mosterdzaadje. Het is wel het kleinste van alle zaden maar wanneer het opwast, wordt een boom.
Leert van mij; want ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw ziel.
Mijn vrede geef ik u.
Zalig de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beerven.
Gij zijt het zout der aarde.
Laat uw harten niet bezwaard worden in wereldse zorgen.
Zalig de reinen van hart; want zij zullen God zien.
Wie het Koninkrijk Gods niet als een kind aanneemt zal er niet binnengaan.
U heb ik vrienden genoemd, omdat ik u alwat ik van mijn Vader gehoord heb bekend heb gemaakt.
De waarheid zal u vrijmaken.
Wijn
Ga u eerst met uw broeder verzoenen.
Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt.
Komt gij een huis binnen, zegt eerst: Vrede over dit huis! Woont daar een man des vredes, dan zal uw vrede op hem rusten; zo niet, dan keert die tot u terug.
Zalig de vredestichters; want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.
Weest ontfermend, zoals uw Vader ontfermend is.
Geeft; dan zal u gegeven worden: een goedgevulde, aangestampte, geschudde, overvolle maat zal men in uw schoot uitstorten.
De grootste onder u worde als de jongste, de aanvoerder als de dienaar.
Hoe dikwijls kan mijn broeder tegen mij zondigen dat ik hem vergiffenis schenken moet? Tot zeventigmaal zeven keer.
Zalig de reinen van hart; want zij zullen God zien.
Haast u welwillend te zijn voor uw tegenpartij, terwijl gij nog met hem onderweg zijt.
Bidt voor wie u mishandelen.
Hebt uw vijanden lief.
Indien gij liefhebt wie u liefhebben, welke aanspraak op loon hebt gij? ... En indien gij alleen uw broeders groet, wat bijzonders doet gij dan?
Dit gebied ik u, dat gij elkander liefhebt.
Gij zijt het licht der wereld.
Zoals de Vader mij heeft liefgehad, heb ook ik u liefgehad. Blijft mijn liefde voor u behouden.
Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht.
|